Boek 1 · Hoofdstuk zestien, De lente
Vijf zonen
Gandhari was al een jaar zwanger toen Kunti de eeuwige god van de dharma riep om een kind van hem te krijgen. Zonder te wachten bracht ze de god offers, en ze zei de mantra op die Durvasa haar lang geleden had geleerd. De god kon de kracht van haar mantra's niet weerstaan. Op zijn stralende wagen kwam hij naar de plek waar Kunti zat.
'Kunti,' vroeg hij, 'wat moet ik je geven?'
Kunti glimlachte. 'U moet me een kind geven.'
Toen verenigde Kunti zich met de god van de dharma, in een gedaante die hij door yoga had aangenomen, en ze kreeg van hem een zoon die aan het welzijn van alle schepselen toegewijd was. Ze baarde het kind op het middaguur, in de achtste muhurta, een van de vijftien tijdvakken van de dag, die Abhijit heet, op een bijzonder gunstige dag: de vijfde dag van de wassende maan, in de zevende maand, toen de maan in het maanhuis Jyeshtha stond. Zodra het kind geboren was, zei een stem zonder lichaam uit de lucht:
Lees het hele verhaal in hoofdstuk zestien, De lente
In hetzelfde hoofdstuk
De vijf zonen; Pandu's dood en Madri's brandstapel; Vyasa's woord en het vertrek van Satyavati.