Boek 1 · Hoofdstuk zestien
De lente
Pandu zag zijn vijf mooie zonen opgroeien, daar in het woud op de lieflijke berghelling, en hij voelde de kracht in zijn armen terugkeren. Op een dag in de lente, het seizoen dat alle schepselen dol maakt, zwierf hij met zijn vrouw Madri door de wouden, waar de bomen opnieuw in bloei stonden. Overal om zich heen zag hij palasha's en tilaka's, mangobomen en champaka's, ashoka's en kesara's, en zwermen bijen zoemden er dronken omheen. De kokila's, de vogels met de zoetste stem van het woud, zongen onder elke twijg. Er waren bomen die doorbogen onder hun bloemen en hun vruchten, en vijvers vol geurende lotussen. Pandu zag het allemaal, en er kwam een zacht verlangen in hem op.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk zestien, De lente
In hetzelfde hoofdstuk
De vijf zonen; Pandu's dood en Madri's brandstapel; Vyasa's woord en het vertrek van Satyavati.