Boek 2 · Hoofdstuk vijf, De dochter uit het vuur
De verbrande wagen
Toen Vyasa weg was, namen de Pandava's afscheid van de brahmaan bij wie ze hadden gewoond, en vol goede moed gingen ze op weg naar Panchala, met hun moeder voorop. Ze trokken recht naar het noorden, dag en nacht, tot ze bij een heiligdom kwamen van Shiva, de god met de maansikkel op zijn voorhoofd. Vandaar bereikten ze de oever van de Ganga. Arjuna liep voor de anderen uit met een fakkel in zijn hand, om de weg te wijzen en hen te beschermen tegen wilde dieren.
Op die eenzame plek vermaakte de trotse koning van de gandharva's, de hemelse muzikanten, zich juist met zijn vrouwen in het heerlijke water van de Ganga, die daar ook de Bhagirathi heet. Hij hoorde de voetstappen van de Pandava's die naar de rivier liepen, en hij werd woedend. Toen hij hen met hun moeder zag naderen, spande hij zijn boog tot een cirkel.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vijf, De dochter uit het vuur
In hetzelfde hoofdstuk
Draupadi's vuurgeboorte; vijf keer om een man gevraagd; de gandharva en de verbrande wagen; Tapati.