Hoofdstuk vijftien
Het hert
Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel III, Het huis van de Kuru's · 21 min. lezen
'U hebt me verteld hoe de zonen van Dhritarashtra door de gunst van de rishi op wonderlijke wijze onder de mensen geboren werden,' zei Janamejaya, 'en u hebt hun namen genoemd, in de volgorde van hun geboorte. Vertel me nu over de Pandava's. Toen u vertelde hoe de goden, de asura's en de andere wezens op aarde geboren werden, zei u dat de Pandava's allemaal de moed van goden hadden, en dat ze zelf delen van de goden waren. Daarom wil ik alles horen over hen en over hun wonderlijke daden, vanaf het ogenblik van hun geboorte. Vertel me wat ze gedaan hebben, Vaishampayana.'
En Vaishampayana vertelde.
Op een dag zwierf Pandu door de wouden op de zuidelijke helling van de Himalaya, waar het wemelde van herten en woeste dieren. Daar zag hij een groot hert, dat de leider van een kudde leek, en dat met zijn wijfje paarde. Pandu doorboorde ze allebei met vijf van zijn scherpe, snelle pijlen met gouden veren. Maar het was geen hert dat hij had geraakt. Het was de zoon van een rishi, met grote kracht van ascese, die in de gedaante van een hert met zijn gezellin de liefde bedreef. Hij werd midden in de paring getroffen en viel op de grond. Hij schreeuwde zoals een mens schreeuwt, en hij huilde bitter.
'Koning,' zei het hert, 'zelfs mensen die slaaf zijn van lust en woede, die geen verstand hebben en altijd kwaad doen, doen zoiets wreeds niet. Wat iemand zelf juist vindt, gaat niet boven de voorschriften; de voorschriften gaan boven wat iemand juist vindt. Wijzen keuren nooit iets goed wat de voorschriften afkeuren. Je bent geboren in een geslacht dat altijd naar de dharma heeft geleefd. Hoe kan het dan dat juist jij je door hartstocht en woede laat overmannen en je verstand verliest?'
'Koningen doden dieren van jouw soort zoals ze hun vijanden doden,' zei Pandu. 'Het past je niet me uit onwetendheid zo te berispen. Dieren van jouw soort worden openlijk gedood of met een list; zo doen koningen dat. Waarom berisp je me dan? Lang geleden, toen hij een groot offer bracht, joeg de rishi Agastya op de herten, en elk hert in het woud wijdde hij aan de goden. Jij bent gedood volgens de gewoonte die door dat voorbeeld geheiligd is. Waarom berisp je ons dan? Voor zijn bijzondere offers goot Agastya het vet van herten in het vuur.'
'Mensen schieten hun pijlen niet af op vijanden die niet voorbereid zijn. Daar is een tijd voor, als de vijandschap is verklaard. Wie dan doodt, treft geen blaam.'
'Iedereen weet dat mensen herten op allerlei manieren doden, en dat ze er niet op letten of de dieren op hun hoede zijn of niet. Waarom berisp je me dan, hert?'
'Ik verwijt je niet dat je een hert hebt gedood, en ook niet dat je mij hebt verwond. Maar in plaats van zo wreed te handelen had je moeten wachten tot ik mijn paring had voltooid. Welke wijze en rechtvaardige man doodt een hert terwijl het paart? De tijd van de paring is voor ieder schepsel aangenaam, en ze brengt alle schepselen goed. Met mijn gezellin hier bevredigde ik mijn verlangen, en dat heb jij vergeefs gemaakt. Je bent geboren in het geslacht van Puru, dat bekendstaat om zijn zuivere daden, en zo'n daad was je niet waardig. Wat je hebt gedaan, is gruwelijk wreed. Iedereen moet het verafschuwen, het brengt schande, het is kwaad, en het voert naar de oorden van kwelling. Je kent het genot van de liefde. Je kent ook de leer van de dharma en de voorschriften van de plicht. Je bent als een god, en het past je niet iets te doen wat naar de oorden van kwelling voert. Het is jouw plicht, koning, iedereen te straffen die wreed handelt, die kwaad doet en de dharma, de voorspoed en het verlangen zoals de leerboeken ze uitleggen in de wind slaat. Wat heb je gedaan, door mij te doden, die je niets misdaan had? Ik ben een muni, een wijze die van vruchten en wortels leeft, al had ik de gedaante van een hert. Ik leefde in de wouden, in vrede met alles en iedereen. Toch heb je me gedood, en daarom vervloek ik je.
Omdat jij wreed bent geweest tegen een paar dat samen was, man en vrouw, zal de dood jou overvallen zodra jij de macht van het verlangen voelt. Ik ben een muni die Kindama heet, en mijn ascese heeft me kracht gegeven. Ik verenigde me met dit hert omdat ik me schaamde het onder de mensen te doen. In de gedaante van een hert zwerf ik door de diepe wouden, samen met andere herten. Je hebt me gedood zonder te weten dat ik een brahmaan ben, en daarom zal de moord op een brahmaan jou niet worden aangerekend. Maar, dwaas, omdat je me in de gedaante van een hert hebt gedood, en op zo'n ogenblik, zal jouw lot gelijk zijn aan het mijne. Wanneer jij vol verlangen naar je vrouw gaat en je met haar verenigt zoals ik met de mijne, zul je in die toestand zelf naar de wereld van de preta's moeten gaan, de geesten van de gestorvenen. En de vrouw met wie jij verenigd bent op het ogenblik van je dood, zal je uit liefde en eerbied volgen naar het rijk van de koning van de doden. Jij hebt mij verdriet gebracht toen ik gelukkig was. Zo zal verdriet jou treffen wanneer jij gelukkig bent.'
Met die woorden stierf het hert, overmand door verdriet. Pandu stond bij het dode dier, en met zijn vrouwen huilde hij.
'De slechten,' riep hij, 'ook als ze in een goed geslacht geboren zijn, worden door hun eigen hartstochten verblind, en als vrucht van hun eigen daden storten ze zich in ellende. Ik heb gehoord dat mijn vader Vichitravirya, al was hij de zoon van de rechtvaardige Shantanu, nog jong stierf, alleen omdat hij een slaaf van zijn lust was geworden. Op de akker van die wellustige koning, bij zijn vrouw, heeft de rishi Vyasa zelf, die altijd de waarheid spreekt, mij verwekt. En ik, de zoon van zo iemand, zwerf met een slecht hart, verslaafd aan het kwaad, door de wouden en jaag op herten. De goden zelf hebben me verlaten! Ik zal nu de bevrijding zoeken. De grote hindernissen op de weg naar bevrijding zijn het verlangen naar kinderen en de andere zorgen van de wereld. Ik zal in onthouding leven en de weg van Vyasa, mijn vader, volgen, de weg die niet vergaat. Met zware ascese zal ik mijn hartstochten volkomen bedwingen.'
Hij wees om zich heen naar de bomen. 'Ik verlaat mijn vrouwen en mijn verwanten, ik scheer mijn hoofd, en alleen zal ik over de aarde trekken en mijn voedsel vragen, bij elk van deze bomen hier. Ik laat alles los wat ik liefheb en alles wat ik haat, ik bedek mijn lichaam met stof, en de beschutting van bomen of van verlaten huizen wordt mijn thuis. Verdriet en vreugde zullen geen vat meer op me hebben, laster en lof zullen me gelijk zijn. Ik zal geen heilwensen en geen buigingen zoeken, ik zal in vrede leven met iedereen, en ik zal geen giften aannemen. Ik zal niemand bespotten, voor niemand mijn wenkbrauwen fronsen, ik zal altijd opgewekt zijn en het welzijn van alle schepselen zoeken. Geen enkel wezen zal ik kwaad doen, niets wat beweegt en niets wat stilstaat, wat uit een ei komt of levend ter wereld komt, geen worm en geen plant; ik zal me tegenover hen allemaal gedragen alsof ze mijn eigen kinderen waren. Eén keer per dag zal ik bij hoogstens vijf of tien families om voedsel vragen, en als ik niets krijg, eet ik niet. Als ik na mijn ronde langs zeven of tien huizen niets heb gekregen, zal ik die ronde niet uit hebzucht verlengen. Of ik iets krijg of niet, het zal me koud laten, zoals een groot asceet. Wie met een bijl een van mijn armen afhakt en wie mijn andere arm met sandelpasta insmeert, ze zullen me allebei gelijk zijn: de een zal ik geen goeds toewensen en de ander geen ellende. Ik zal niet blij zijn met het leven en niet bedroefd om de dood; ik zal niet verlangen te leven en niet verlangen te sterven. Ik zal boven de riten uitstijgen die mensen op gunstige uren, dagen en tijden verrichten om gelukkig te worden, en ik zal me onthouden van alles wat de dharma, de voorspoed of het verlangen dient. Vrij van alle kwaad en van alle strikken van de wereld zal ik zijn als de wind, die aan niemand onderworpen is. Zonder vrees zal ik zo leven, tot ik ten slotte mijn leven afleg. Ik kan geen kinderen meer verwekken; ik zal me aan mijn plicht houden en niet afdwalen naar de gemene weg van de wereld, die zo vol ellende is. Wie, geëerd of niet, uit hebzucht anderen met een smekende blik aankijkt, gedraagt zich als een hond.'
Hij zuchtte en keek naar zijn twee vrouwen, Kunti en Madri. 'Laat men het mijn moeder vertellen,' zei hij, 'en Vidura, en de koning met onze vrienden, de eerbiedwaardige Satyavati, Bhishma, de priesters van ons geslacht, de grote brahmanen met hun strenge geloften, die de soma drinken, en alle oudere burgers die van ons afhankelijk zijn. Bereid hen erop voor, en zeg hun dan dat Pandu zich in het woud heeft teruggetrokken om als asceet te leven.'
'Er zijn nog veel andere manieren van leven die je kunt kiezen,' zeiden Kunti en Madri. 'Daarin kun je samen met ons, je wettige vrouwen, de zwaarste ascese beoefenen en de hemel van de goden bereiken, om bevrijd te worden, niet opnieuw geboren te worden. Ook wij zullen samen met onze man en voor zijn welzijn onze hartstochten bedwingen, afscheid nemen van alle weelde en ons aan de strengste ascese onderwerpen. Als je ons verlaat, koning, dan verlaten wij vandaag nog deze wereld.'
'Als dat besluit van jullie uit de dharma voortkomt,' zei Pandu, 'dan volg ik met jullie beiden de onvergankelijke weg van mijn vaders. Ik laat de weelde van steden en dorpen achter, ik kleed me in boomschors en leef van vruchten en wortels, ik zwerf door de diepe wouden en beoefen de zwaarste ascese. 's Morgens en 's avonds zal ik baden en het vuuroffer brengen. Ik zal mijn lichaam uitmergelen door karig te eten, ik zal lompen en huiden dragen, en mijn haar zal samengekoekt zijn tot strengen. Ik zal me blootstellen aan hitte en kou, en honger en dorst zullen me niet deren. Ik zal in eenzaamheid leven en me aan de beschouwing wijden, en ik zal de vruchten eten die ik vind, rijp of groen. Aan de voorouders en aan de goden zal ik offeren met woorden, met water en met de vruchten van de wildernis. Ik zal de bewoners van de wouden niet onder ogen komen, laat staan hun kwaad doen, en ook mijn verwanten niet, en niemand uit de steden en de dorpen. Tot ik dit lichaam afleg, zal ik zo de strenge regels volgen van het leven als woudbewoner, de derde van de levensfasen, en steeds naar strengere zoeken.'
Daarna gaf Pandu het grote juweel uit zijn diadeem weg aan brahmanen, en zijn halsketting van kostbaar goud, zijn armbanden, zijn grote oorringen, zijn dure kleren en alle sieraden van zijn vrouwen. Hij riep zijn dienaren bij zich.
'Ga terug naar Hastinapura,' zei hij, 'en vertel iedereen dat Pandu met zijn vrouwen het woud in is gegaan, en dat hij afstand heeft gedaan van rijkdom, van verlangen, van geluk en zelfs van het liefdesgenot.'
De dienaren begonnen luid te klagen. 'Het is met ons gedaan!' Met hete tranen op hun wangen lieten ze de koning achter, en haastig keerden ze terug naar Hastinapura, met de rijkdom die weggegeven moest worden. Dhritarashtra hoorde van hen alles wat er in het woud gebeurd was, en hij huilde om zijn broer. Hij bleef zijn verdriet overdenken, en bedden, zetels en schotels deden hem niets meer.
Intussen trok Pandu met zijn twee vrouwen verder, en ze leefden van vruchten en wortels. Hij ging naar het gebergte van Nagasata, daarna naar het woud Chaitraratha, hij stak de Kalakuta over, daarna de Himalaya, en kwam bij de Gandhamadana. Daar leefde hij, soms op de vlakte en soms op de hellingen van de bergen, onder de bescherming van de grote wezens, de siddha's en de rishi's. Toen reisde hij verder naar het meer van Indradyumna, stak het gebergte van Hamsakuta over en kwam bij Shatashringa, de berg van de honderd toppen. Daar zette hij zijn ascese voort.
De schuld
Op Shatashringa gaf Pandu zich helemaal over aan de ascese. Binnen korte tijd was hij geliefd bij alle siddha's en charana's die daar woonden. Hij diende de rishi's die zijn leraren waren, hij kende geen ijdelheid, hij had zijn geest in bedwang en zijn hartstochten volkomen onderworpen, en zijn ascese reikte zo ver dat hij op eigen kracht de hemel van de goden had kunnen bereiken. Sommige rishi's noemden hem broer, andere vriend, en weer andere hielden van hem als van een zoon. Na lange tijd had hij zoveel kracht van ascese verworven, en was zijn geest zo op één ding gericht, dat hij werd als een brahmarshi, een ziener van de hoogste, brahmaanse rang, al was hij als kshatriya geboren.
Eens, op een dag van nieuwe maan, kwamen de grote rishi's met hun strenge geloften bijeen. Ze wilden Brahma zien en stonden op het punt te vertrekken.
'Waar gaan we heen?' vroeg Pandu.
'Vandaag is er in het verblijf van Brahma een grote bijeenkomst van goden, rishi's en voorouders,' zeiden de rishi's. 'We willen de Zelfgeborene zien, en daarom gaan we er vandaag heen.'
Pandu stond meteen op. Hij wilde met de rishi's mee naar de wereld van Brahma, en met zijn twee vrouwen maakte hij zich klaar om hen vanaf de berg van de honderd toppen naar het noorden te volgen. Maar de asceten hielden hem tegen.
'Als we naar het noorden trekken en de koning van de bergen langzaam beklimmen,' zeiden ze, 'zien we op zijn lieflijke flanken veel streken waar gewone stervelingen niet kunnen komen: verblijven van de goden, van de gandharva's en de apsara's, met honderden paleizen dicht opeen, waar hemelse muziek klinkt; de tuinen van Kubera, de god van de rijkdom, op vlakke en op steile grond; de oevers van grote rivieren, en diepe grotten. Er zijn hoogten die altijd onder de sneeuw liggen, waar geen plant groeit en geen dier leeft. Op sommige plaatsen valt de regen zo zwaar dat niemand er kan komen, laat staan wonen. Zelfs vogels komen daar niet over. Alleen de wind komt er, en alleen de siddha's en de grote rishi's. Hoe zouden deze prinsessen die hoogten van de koning van de bergen beklimmen? Ze zijn geen pijn gewend. Zullen ze niet bezwijken van ellende? Kom daarom niet met ons mee.'
'Men zegt dat wie geen zoon heeft, niet in de hemel van de goden wordt opgenomen,' zei Pandu. 'Ik heb geen zoon. Het is mijn nood die spreekt. Het doet me pijn dat ik mijn schuld aan mijn voorouders niet heb kunnen aflossen: als dit lichaam van mij vergaat, gaan mijn voorouders te gronde. Ieder mens wordt op aarde geboren met vier schulden: aan de voorouders, aan de goden, aan de rishi's en aan de andere mensen. Het is recht dat hij ze aflost, want voor wie dat niet op tijd doet, zijn er geen werelden van geluk. De goden betaalt men met offers, de rishi's met studie, beschouwing en ascese, de voorouders door kinderen te verwekken en hun de pinda te offeren, de rijstballen die men de voorouders offert, en de andere mensen door een menselijk leven dat niemand kwaad doet. Mijn schuld aan de rishi's, aan de goden en aan de mensen heb ik naar recht afgelost. Maar de anderen gaan te gronde als mijn lichaam vergaat. Asceten, ik ben nog niet vrij van mijn schuld aan de voorouders. Goede mensen worden in deze wereld geboren om kinderen te verwekken en die schuld af te lossen. Daarom vraag ik u: mogen er op mijn akker, bij mijn vrouwen, kinderen worden verwekt, zoals ik zelf door de grote rishi op de akker van mijn vader werd verwekt?'
'Er ligt nageslacht voor je in het verschiet,' antwoordden de rishi's, 'zonder smet, door het geluk begunstigd en aan de goden gelijk. We zien het allemaal met het innerlijk oog dat onze ascese ons gaf. Breng daarom met je eigen daden tot stand waar het lot naar wijst. Verstandige mensen die weloverwogen handelen, plukken altijd goede vruchten. Het past je je in te spannen, koning. De vruchten die je zult plukken, zijn duidelijk te zien: je zult nakomelingen krijgen die bekwaam zijn en je vreugde geven.'
Pandu herinnerde zich dat hij door de vloek van het hert zijn vermogen om kinderen te verwekken verloren had, en hij dacht lang na. Toen riep hij Kunti, zijn wettige vrouw, bij zich, en onder vier ogen vroeg hij haar om wat de wijzen niyoga noemen: dat een ander bij de vrouw van een man de kinderen verwekt die de man zelf niet kan verwekken, en dat die kinderen van hem zijn.
'Probeer in deze tijd van nood nakomelingen te krijgen,' zei hij. 'De wijzen die de eeuwige dharma uitleggen, zeggen dat een zoon in alle drie de werelden de bron is van roem in de dharma. Offers, giften, ascese en de zorgvuldigst gehouden geloften brengen een man zonder zoon geen verdienste. Ik weet dat allemaal, en daarom weet ik ook: zonder zoon zal ik de werelden van het ware geluk niet bereiken. Ellendeling die ik was, verslaafd aan wrede daden: door het bezoedelde leven dat ik leidde, heeft de vloek van het hert mijn vermogen om kinderen te verwekken vernietigd.
De leerboeken van de dharma noemen zes soorten zonen die erven en tot de verwanten horen, en zes andere die niet erven maar wel tot de verwanten horen. De eerste is de zoon die een man zelf bij zijn wettige vrouw verwekt. De tweede is de zoon die een bekwaam man uit goedheid bij iemands vrouw verwekt. De derde is de zoon die iemand voor geld bij iemands vrouw verwekt. De vierde is de zoon die na de dood van de man bij zijn vrouw wordt verwekt. De vijfde is de zoon die een meisje vóór haar huwelijk baart. De zesde is de zoon van een ontrouwe vrouw. De zevende is de zoon die gegeven wordt, de achtste de zoon die gekocht wordt, de negende de zoon die zichzelf geeft. De tiende is de zoon die met een zwangere bruid meekomt, de elfde de zoon van een broer, en de twaalfde de zoon bij een vrouw van een lagere stand.
Als er geen zoon van een eerdere soort is, moet de moeder naar een zoon van de volgende soort verlangen. In tijden van nood vragen mannen hun bekwame jongere broers om nakomelingen. Manu, de zoon van Brahma, heeft gezegd dat mannen die zelf geen wettige kinderen kunnen krijgen, hun vrouwen door anderen kinderen mogen laten geven, want zonen brengen de hoogste verdienste. Daarom draag ik je op, nu ik zelf geen kinderen kan verwekken, goede nakomelingen te krijgen van iemand die mijn gelijke is of hoger staat dan ik.'
Pandu keek haar aan. 'Denk aan de dochter van Sharadandayana, die door haar man werd aangewezen om kinderen te krijgen. Die vrouw uit de stand van de krijgers baadde zich volgens de voorschriften toen haar tijd na de maandstonde gekomen was, en 's nachts ging ze naar buiten en wachtte op een plek waar vier wegen samenkwamen. Ze hoefde niet lang te wachten, of er kwam een brahmaan langs die de volmaaktheid van zijn ascese had bereikt. Ze vroeg hem om nakomelingen. Ze goot offerboter in het vuur en bracht het punsavana, het offer voor de geboorte van een zoon, en ze baarde drie zonen, grote wagenstrijders, van wie Durjaya de oudste was, door die brahmaan bij haar verwekt. Volg op mijn bevel het voorbeeld van die vrouw, en krijg zonder te wachten nakomelingen uit het zaad van een brahmaan met grote kracht van ascese.'
De mantra
'Dat moet je niet tegen me zeggen,' antwoordde Kunti. 'Ik ben je wettige vrouw, en ik ben je toegewijd. Jij zelf zult bij mij, zoals de dharma het wil, kinderen verwekken die vol kracht zijn, en dan ga ik met je mee naar de hemel van de goden. Neem me in je armen om kinderen te verwekken. Zelfs in gedachten zal ik geen andere man dan jou in mijn armen nemen. Welke man op aarde staat er hoger dan jij? Ik ken een verhaal uit de purana's, de oude overleveringen.
Lang geleden was er in het geslacht van Puru een koning die Vyushitashva heette. Hij hield zich aan de waarheid en de dharma. Toen hij eens een offer bracht, kwamen de goden met Indra en de grote rishi's naar hem toe. Indra raakte bedwelmd door de soma, en de brahmanen door de rijke geschenken die ze kregen, zodat de goden en de grote rishi's zelf alles verrichtten wat bij dat offer hoorde. Vyushitashva was zo sterk als tien olifanten. Hij onderwierp alle koningen in het oosten, het noorden, het westen en het zuiden, liet hen schatting betalen en bracht het paardenoffer. Alle vertellers van de purana's zingen over hem dat hij de aarde veroverde tot aan de kust van de zee en alle standen van zijn volk beschermde zoals een vader zijn eigen zonen. Hij bracht het ene grote offer na het andere en gaf de brahmanen veel rijkdom.
Vyushitashva had een geliefde vrouw, Bhadra, de dochter van Kakshivat, de mooiste vrouw op aarde. Ze hielden veel van elkaar, en de koning was bijna nooit van haar gescheiden. Maar door te veel liefdesgenot kreeg hij een ziekte die hem liet wegteren, en binnen een paar dagen stierf hij. Bhadra had geen zoon. Met tranen op haar wangen zei ze:
"Een vrouw heeft geen doel meer als haar man dood is. Wie na de dood van haar man blijft leven, sleept zich voort in een bestaan dat nauwelijks leven heet. Voor een vrouw zonder man is de dood een weldaad. Ik wil de weg gaan die jij gegaan bent. Wees goed voor me en neem me mee. Zonder jou kan ik het leven geen ogenblik verdragen. Ik zal je volgen, over vlak en over ongelijk land, als je eigen schaduw. Ik moet in een vorig leven een liefdespaar van elkaar hebben gescheiden, en daarom moet ik nu deze scheiding van jou verdragen. Een vrouw die ook maar een ogenblik zonder haar man leeft, lijdt hier op aarde al wat men in de oorden van kwelling lijdt. Vanaf vandaag leg ik me neer op een bed van kusagras en onthoud ik me van alle weelde, in de hoop je nog eens te zien. Laat je aan me zien. Geef je ellendige vrouw, die zo bitter huilt, nog één keer een bevel."
Bhadra bleef klagen, en in haar wanhoop sloot ze het lijk van haar man in haar armen. Toen zei een stem zonder lichaam tegen haar: "Sta op, Bhadra, en ga weg van deze plek. Ik geef je deze gunst: ik zal kinderen bij je verwekken. Lig bij me op je eigen bed, na het bad dat op je maandstonde volgt, in de nacht van de achtste of van de veertiende dag van de maan." Bhadra deed wat de stem zei, om kinderen te krijgen. En het lijk van haar man verwekte bij haar zeven kinderen, drie Shalva's en vier Madra's. Verwek jij ook bij mij kinderen, zoals de grote Vyushitashva, met de kracht van de ascese die je bezit.'
'Wat je zegt, is waar, Kunti,' antwoordde Pandu. 'Vyushitashva deed het vroeger zoals jij zegt; hij was de goden gelijk. Maar nu zal ik je vertellen over de gewoonten van vroeger, zoals de grote rishi's ze hebben aangewezen, die alle regels van de dharma kenden. Vroeger werden de vrouwen niet in huizen opgesloten, en ze hingen niet af van hun man of van hun verwanten. Ze gingen vrij rond en genoten zoals ze wilden. Ze bleven hun man niet trouw, en toch rekende men het hun niet als kwaad aan, want dat was de gewoonte van die tijd. Vogels en dieren volgen die gewoonte nog altijd, zonder jaloezie. Het voorbeeld heeft haar geheiligd, de grote rishi's prijzen haar, en in Uttarakuru, het land in het verre noorden, wordt ze nog altijd in ere gehouden. Die gewoonte, die zo mild is voor vrouwen, heeft de oudheid achter zich. De gewoonte van nu, dat een vrouw haar leven lang aan één man gebonden is, is pas kort geleden ingesteld. Ik zal je precies vertellen wie haar instelde, en waarom.
Er was een grote rishi die Uddalaka heette, en hij had een zoon, Shvetaketu, die ook een verdienstelijk asceet was. Het is die Shvetaketu die de gewoonte van nu heeft ingesteld, uit woede. Op een dag kwam er, in het bijzijn van Shvetaketu's vader, een brahmaan die de moeder van Shvetaketu bij de hand pakte en tegen haar zei: "Kom, we gaan." De zoon zag hoe zijn moeder bij de hand werd gegrepen en meegenomen, met geweld, zo leek het, en hij werd razend. Uddalaka merkte hoe boos zijn zoon was. "Wees niet boos, jongen," zei hij. "Dit is de gewoonte die de oudheid heeft geheiligd. De vrouwen van alle standen in deze wereld zijn vrij. De mannen gedragen zich daarin, ieder in zijn eigen stand, zoals het vee." Maar de zoon van de rishi keurde die gewoonte af, en hij stelde de gewoonte in die nu onder mannen en vrouwen geldt. Sindsdien geldt ze onder de mensen, maar niet onder de andere wezens.
Sinds die gewoonte is ingesteld, is het kwaad als een vrouw haar man niet trouw blijft. Een vrouw die de grens overschrijdt die de rishi heeft gesteld, wordt een doder van een ongeboren kind. En een man die ontrouw is aan een trouwe, liefhebbende vrouw, die van meisje af aan haar gelofte van trouw heeft gehouden, wordt dat ook. En de vrouw die van haar man het bevel krijgt kinderen te krijgen en weigert te doen wat hij zegt, begaat hetzelfde kwaad.
Dat is de gewoonte die Shvetaketu, de zoon van Uddalaka, in oude tijden instelde, tegen de oudheid in. We hebben ook gehoord dat Madayanti, de vrouw van koning Saudasa uit het geslacht van Ikshvaku, op bevel van haar man om kinderen te krijgen naar de rishi Vasishtha ging. Ze ging bij hem liggen, en Madayanti kreeg een zoon, Ashmaka. Ze deed het omdat ze haar man goed wilde doen. En je weet, Kunti, hoe wijzelf, om het geslacht van Kuru voort te zetten, door Vyasa verwekt zijn. Nu je al die voorbeelden kent, past het je te doen wat ik zeg, want het is niet in strijd met de dharma. Een vrouw die haar man is toegewijd, moet in haar vruchtbare tijd altijd haar man opzoeken, al mag ze op andere tijden vrij zijn; dat is de oude gewoonte. Maar of de daad nu kwaad is of niet, wie de Veda's kennen, zeggen dat een vrouw moet doen wat haar man haar opdraagt. En vooral ik, die geen kinderen kan verwekken en toch verlang nakomelingen te zien, verdien het dat je me gehoorzaamt.'
Pandu vouwde zijn handen met de rozige vingers tot een kom, als de bladeren van een lotus, en hief ze naar zijn hoofd. 'Zo smeek ik je. Krijg op mijn bevel kinderen bij een brahmaan met grote kracht van ascese. Dan kan ik door jou de weg gaan die bestemd is voor wie kinderen heeft.'
Kunti had altijd gedaan wat haar man goed en aangenaam vond. 'Toen ik een meisje was, in het huis van mijn vader,' zei ze, 'had ik de zorg voor de gasten, en ik bediende brahmanen met strenge geloften. Een van hen was de brahmaan die men Durvasa noemt, die zijn geest volkomen in bedwang heeft en alle geheimen van de dharma kent. Ik stelde hem met mijn zorg tevreden, en hij gaf me een gunst: een mantra waarmee ik iedere god die ik wil bij me kan roepen. "Iedere god die je hiermee roept, meisje," zei hij, "zal naar je toe komen en je wil doen, of hij het wil of niet. En door zijn gunst zul je ook kinderen krijgen." De woorden van een brahmaan kunnen nooit onwaar zijn, en nu is de tijd gekomen dat ze vrucht kunnen dragen. Als jij het beveelt, kan ik met die mantra iedere god roepen, zodat we goede kinderen krijgen. Zeg me welke god ik moet roepen. Ik wacht op je bevel.'
Over wat ze als meisje met die mantra had gedaan, zei ze niets.
'Probeer vandaag nog onze wens te vervullen,' zei Pandu. 'Roep Dharma, de god van de dharma. Geen god is rechtvaardiger dan hij. Hij zal ons nooit met kwaad kunnen bezoedelen, en dan zal ook de wereld denken dat wat we doen nooit onheilig kan zijn. En de zoon die we van hem krijgen, zal onder de Kuru's zijn gelijke in rechtvaardigheid niet hebben. Omdat de god van de dharma hem verwekt heeft, zal hij zijn hart nooit zetten op iets wat kwaad of onheilig is. Houd daarom de dharma voor ogen, houd je aan de heilige geloften, en roep de god van de dharma met je verzoeken en je mantra's.'
'Goed,' zei Kunti. Ze boog voor haar man, liep eerbiedig om hem heen en besloot te doen wat hij vroeg.