
Hoofdstuk drie
Het huis van lak
De jakhals
Boek 2 · De leerjaren · Deel I, De rivalen · 34 min. lezen
Dhritarashtra liet Kanika bij zich komen, zijn minister, een brahmaan die alles wist van de staatskunst en van het geven van raad. 'Brahmaan,' zei de koning, 'de Pandava's worden met de dag machtiger. Ze overschaduwen de hele aarde, en ik ben mateloos jaloers op hen. Moet ik vrede met hen houden, of oorlog tegen hen voeren? Zeg me de waarheid, Kanika. Ik zal doen wat u me aanraadt.'
'Ik zal u antwoorden, koning,' zei Kanika, 'maar neem me niet kwalijk wat u te horen krijgt. Een koning moet altijd klaarstaan met geheven knots, en zijn kracht moet blijven groeien. Zijn eigen zwakke plekken houdt hij verborgen, en op die van zijn vijand let hij zonder ophouden, om er zijn voordeel mee te doen. Voor een koning die elk ogenblik kan toeslaan, is iedereen bang; daarom moet hij in alles wat hij doet de strafstaf gebruiken. Zijn middelen en zijn doelen verbergt hij, zoals een schildpad zijn lijf onder zijn schild trekt. En wat hij begonnen is, maakt hij af: een doorn die maar half wordt uitgetrokken, laat een etterende wond achter.
Een vijand doden die u kwaad doet, is altijd prijzenswaardig. Is hij sterk, wacht dan tot het hem slecht gaat en dood hem zonder aarzelen. Is hij een groot krijger, wacht dan ook zijn slechte uur af, en jaag hem op de vlucht. Minacht nooit een vijand, hoe nietig hij ook lijkt: één vonk kan een heel woud verteren, als het vuur maar van het ene ding op het andere kan overslaan. Soms moet een koning zich blind en doof houden. Als hij niet kan straffen, doet hij alsof hij de fouten niet ziet die straf verdienen, en draagt hij zijn boog alsof die van stro is. Maar hij blijft waakzaam, als een kudde herten die in het woud slaapt.
Hebt u uw vijand in uw macht, vernietig hem dan, openlijk of in het geheim, en heb geen medelijden met hem, ook niet als hij bij u bescherming zoekt. Wie u eens kwaad heeft gedaan, moet u uit de weg ruimen, en als dat geld kost, geef het dan uit: pas als hij dood is, hebt u rust. Van de doden hoeft niemand iets te vrezen. Roei uw vijanden met wortel en tak uit, en daarna hun bondgenoten en hun aanhang. Die kunnen niet blijven bestaan als hun hoofd weg is. Trek de wortel van een boom uit, en de takken en twijgen blijven niet wat ze waren.
Win eerst het vertrouwen van uw vijanden: onderhoud het offervuur, draag bruine kleren, laat uw haar samenkoeken tot strengen en slaap op dierenvellen. En als u hun vertrouwen hebt, spring dan op hen als een wolf. Want men zegt dat wie rijkdom zoekt, zelfs de dracht van een asceet mag gebruiken als een staf met een haak, waarmee men een tak omlaagbuigt om de rijpe vruchten te plukken. Zoals men vruchten plukt, zo moet men vijanden vernietigen: door te kiezen. Draag uw vijand op uw schouders tot de tijd komt dat u hem kunt neergooien, en sla hem dan stuk, zoals een aarden pot die met kracht op een stenen vloer wordt gesmeten. Laat een vijand nooit gaan, ook al smeekt hij nog zo; heb geen medelijden, en dood hem meteen. Met verzoening of met geld, door verdeeldheid onder zijn bondgenoten te zaaien of met geweld, met elk middel dat u hebt, moet u uw vijand vernietigen.'
'Vertel me dan precies,' zei Dhritarashtra, 'hoe je een vijand vernietigt met verzoening of met geld, door verdeeldheid of met geweld.'
'Daarvoor zal ik u het verhaal vertellen van een jakhals die lang geleden in het woud leefde en alles wist van de staatskunst,' zei Kanika.
En Kanika vertelde.
Er was een slimme jakhals, die altijd aan zijn eigen voordeel dacht. Hij leefde samen met vier vrienden: een tijger, een muis, een wolf en een mangoeste. Op een dag zagen ze in het woud een hert, de leider van een kudde, dat ze niet te pakken kregen omdat het zo snel en zo sterk was. Ze riepen een raad bijeen, en de jakhals nam als eerste het woord.
'Tijger,' zei hij, 'je hebt al zo vaak geprobeerd dat hert te grijpen, en het is je nooit gelukt, omdat het jong is, snel en slim. Laat de muis nu gaan als het slaapt, en in zijn poten knagen. Als dat gebeurd is, sluipt de tijger erop af en grijpt het. En dan houden we met elkaar een feestmaal.'
Ze deden voorzichtig wat de jakhals zei. De muis knaagde de poten van het hert kapot, en de tijger doodde het, zoals ze hadden bedacht. Toen de jakhals het dier roerloos op de grond zag liggen, zei hij tegen zijn vrienden: 'Goed gedaan. Ga je nu wassen in de rivier. Ik pas intussen op het hert.'
Ze gingen allemaal naar de rivier, en de jakhals bleef achter en dacht diep na over wat hij zou doen. De tijger, die het sterkst was, kwam als eerste terug van het baden, en hij trof de jakhals piekerend aan.
'Waarom zit je zo te treuren, wijze?' vroeg de tijger. 'Jij bent de slimste van ons allemaal. Laten we vandaag van dit vlees genieten.'
'Weet je wat de muis gezegd heeft?' zei de jakhals. 'Hij zei: "Wat een schande, de kracht van de koning van de dieren! Ik heb dit hert gedood. Dankzij mijn arm kan hij vandaag zijn honger stillen." Zo heeft hij opgeschept, en na zulke woorden wil ik dat vlees niet meer aanraken.'
'Als de muis dat gezegd heeft, dan ben ik wakker geschud,' zei de tijger. 'Vanaf vandaag dood ik met de kracht van mijn eigen armen de dieren van het woud, en dan eet ik hun vlees.' En hij ging weg.
Nu kwam de muis terug. 'Ik wens je alle goeds, muis,' zei de jakhals tegen hem, 'maar de mangoeste heeft iets over je gezegd. Hij zei: "Het vlees van dit hert is vergif, want de tijger heeft het met zijn klauwen aangeraakt. Ik eet er niet van. Maar als jij het goedvindt, jakhals, dood ik de muis en eet ik hem op."' De muis schrok en kroop haastig weg in zijn hol.
Daarna kwam de wolf terug van het baden. 'De koning van de dieren is boos op je,' zei de jakhals tegen hem. 'Het loopt slecht met je af. Hij kan elk ogenblik hier zijn, met zijn vrouw. Doe wat je juist vindt.' Zo raakte de jakhals ook de wolf kwijt, die zo dol was op vlees: de wolf maakte zich zo klein als hij kon en vluchtte.
Als laatste kwam de mangoeste. 'De anderen heb ik met de kracht van mijn arm verslagen, en ze zijn gevlucht,' zei de jakhals. 'Vecht eerst met mij, en eet dan van dit vlees zoveel je wilt.'
'Als jij de tijger, de wolf en de slimme muis hebt verslagen, en dat zijn helden, dan ben jij nog een grotere held,' antwoordde de mangoeste. 'Met jou wil ik niet vechten.' En ook de mangoeste ging weg.
Toen ze allemaal vertrokken waren, at de jakhals het vlees in zijn eentje op; zijn list was gelukt.
'Als koningen altijd zo handelen, zijn ze gelukkig,' zei Kanika. 'Wie bang is, brengt een koning onder zijn gezag door hem angst aan te jagen; wie moedig is, door verzoening; wie hebzuchtig is, met geschenken; en wie hem gelijk is of onder hem staat, door zijn kracht te tonen. En ik heb u nog meer te zeggen, koning.
Als uw zoon, uw vriend, uw broer, uw vader of zelfs uw guru, uw leraar, uw vijand wordt, dan moet u hem zonder aarzelen doden, als u voorspoed wilt. Met vloeken en vijandige riten, met geld, met gif of met bedrog moet men zo'n vijand doden, en men mag hem nooit uit minachting laten begaan. Zijn beide partijen gelijk en is de afloop onzeker, dan wint wie het ijverigst is. Ook een leraar die ijdel is, die niet weet wat men moet doen en wat men moet laten, en die slechte gewoonten heeft, verdient straf. Bent u boos, laat het dan niet merken, en spreek met een glimlach. Verwijt nooit iemand iets met boosheid in uw stem. Spreek zachte woorden voordat u toeslaat, en ook terwijl u toeslaat; en als het gebeurd is, heb dan medelijden met uw slachtoffer, treur om hem, en huil zelfs. Stel uw vijand gerust met verzoening, met geschenken en met vriendelijkheid, en sla toe zodra hij een misstap begaat. Wie zich achter de dharma verschuilt en toch zware misdaden begaat, moet u net zo goed treffen, want de schijn van dharma bedekt zijn misdaden, zoals zwarte wolken een berg bedekken. En wie u ter dood laat brengen, diens huis moet u in brand steken.'
Dhritarashtra hield zijn blinde gezicht naar zijn minister gekeerd en zei niets. Kanika ging verder.
'Overval uw vijand plotseling of bind de open strijd met hem aan, gebruik gif, koop zijn bondgenoten om of betaal: het middel doet er niet toe. U mag zo wreed zijn als u wilt. Slijp uw tanden, zodat uw beet dodelijk is, en sla altijd zo toe dat uw vijand zijn hoofd niet meer kan opheffen. Vertrouw nooit wie ontrouw is, en vertrouw ook de trouwen niet te veel: als wie u vertrouwt uw vijand wordt, bent u verloren. Stel spionnen aan in uw eigen rijk en in dat van anderen, als u hun trouw hebt beproefd. In vreemde rijken moeten het bedriegers zijn, gekleed als asceten. Zet ze in tuinen en op plaatsen van vermaak, in tempels en op heilige plaatsen, in drinkhuizen en op straat, bij de achttien hoogste ambtsdragers van het rijk, op offerplaatsen, bij putten, op bergen en bij rivieren, in de wouden, overal waar mensen samenkomen.
Wees nederig in uw woorden, maar laat uw hart zo scherp zijn als een scheermes, en glimlach, ook als u iets wreeds en gruwelijks doet. Wie voorspoed wil, gebruikt elk middel: nederigheid, eden, verzoening, het hoofd buigen en andermans voeten kussen, hoop wekken. Wie de staatskunst beheerst, is als een boom vol bloemen die geen vruchten draagt; of als hij al vruchten draagt, hangen ze zo hoog dat niemand er van de grond af bij kan; en lijkt er een rijp, dan zorgt hij dat die groen lijkt. Bent u gevallen, richt uzelf dan op, met zachte of met harde middelen, en beoefen pas daarna de dharma. Een visser wordt rijk door vissen te vangen en te doden; zo wordt ook een koning pas voorspoedig als hij zijn vijand het hart uit het lijf rukt en geweld gebruikt. Het leger van een vijand moet helemaal vernietigd worden: uitgeploegd en gemaaid als onkruid, en verder gekweld met ziekte, honger en dorst.
Zolang het gevaar niet gekomen is, doe dan alsof u bang bent; maar als het er is, grijp het moedig aan. Geef uw vijand hoop, maar stel de vervulling lang uit; en als de tijd voor de vervulling komt, verzin dan een voorwendsel om haar opnieuw uit te stellen. Laat dat voorwendsel op een reden lijken te berusten, en die reden weer op een andere reden. Bij het vernietigen van hun vijanden moeten koningen in alles op een scheermes lijken. Ze zijn zonder medelijden, zoals het scheermes scherp is; ze verbergen hun bedoelingen, zoals het scheermes in zijn leren schede zit; ze slaan toe wanneer de gelegenheid komt, zoals men het scheermes gebruikt wanneer het nodig is; en ze vagen hun vijanden met al hun bondgenoten en al hun aanhang weg, zoals het scheermes een hoofd of een kin scheert zonder één haar te laten staan.
Gedraag u daarom tegenover de Pandava's en tegenover de anderen zoals de staatskunst het voorschrijft, en zorg dat u later niets te betreuren hebt. Ik weet dat u alles bezit wat heil brengt, en dat u alle tekenen van voorspoed draagt. Bescherm uzelf tegen de zonen van Pandu. Ze zijn sterker dan hun neven, uw zonen. Ik zeg u ronduit wat u moet doen. Laat uw zonen het ook horen, en doe dan samen wat nodig is. Handel zo dat u van de Pandava's niets te vrezen hebt.'
Kanika ging terug naar zijn huis. Dhritarashtra bleef achter en zat nog lang met zijn hoofd in zijn handen.
Varanavata
Shakuni, de broer van Gandhari, Duryodhana, de oudste zoon van Dhritarashtra, zijn broer Duhshasana en Karna, de koning van Anga, smeedden samen een kwaad plan: met instemming van Dhritarashtra zelf, de koning van de Kuru's, wilden ze Kunti en haar vijf zonen verbranden. Maar Vidura, de halfbroer van de koning, kon aan iemands gezicht lezen wat er in zijn hart omging, en aan hun gezichten las hij wat ze van plan waren.
'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'ik wil die geschiedenis volledig horen, van het huis van lak dat verbrandde en van de Pandava's die eruit ontkwamen. Het was een wrede daad van de Kuru's, op slechte raad begaan. Vertel me alles wat er gebeurd is. Ik brand van nieuwsgierigheid.'
En Vaishampayana vertelde verder.
Duryodhana zag dat Bhima sterker was dan wie ook en dat Arjuna de wapens volmaakt beheerste, en hij werd somber en stil. Karna en Shakuni probeerden op allerlei manieren de dood van de Pandava's te bewerken, maar de Pandava's verijdelden al die listen, de ene na de andere.
De burgers zagen hoe bekwaam de zonen van Pandu waren, en ze begonnen overal waar ze samenkwamen over hen te praten. Op de binnenplaatsen en de pleinen zeiden ze dat de oudste zoon van Pandu, Yudhishthira, alles had wat een koning nodig heeft. 'Dhritarashtra heeft het oog van de kennis,' zeiden ze, 'maar hij is blind geboren, en daarom heeft hij het koninkrijk vroeger niet gekregen. Hoe zou hij nu dan koning kunnen worden? En Bhishma, de zoon van Shantanu, die zich aan zijn strenge gelofte houdt en de waarheid is toegewijd, heeft lang geleden afstand gedaan van de troon, en hij zal hem nu niet aannemen. Laten we daarom de oudste van de Pandava's met de juiste riten op de troon zetten. Hij is jong en ervaren in de strijd, hij kent de Veda, hij is waarachtig en vriendelijk. Hij zal Bhishma eren, en Dhritarashtra, die de regels van de dharma kent, en hij zal hen en Dhritarashtra's zonen van alles voorzien.'
Duryodhana hoorde hoe de aanhangers van Yudhishthira praatten, en hij kon het niet verdragen. Hij ging naar Dhritarashtra, trof hem alleen en groette hem. 'Vader,' zei hij, 'ik heb de burgers woorden horen zeggen die niets goeds voorspellen. Ze gaan aan u voorbij, en ook aan Bhishma, en ze willen de zoon van Pandu als koning. Bhishma zal dat goedvinden, want hij wil zelf niet regeren. Het ziet ernaar uit dat de burgers ons groot onrecht willen aandoen. Pandu kreeg vroeger het rijk van onze voorouders door zijn eigen verdiensten, maar u kreeg het niet, omdat u blind bent, al was u er even geschikt voor. Als de zoon van Pandu het rijk nu als erfdeel van zijn vader krijgt, dan krijgt zijn zoon het na hem, en diens zoon weer, en zo blijft het in de lijn van Pandu. Dan worden wij en onze kinderen buiten het koningshuis gezet, en niemand zal nog naar ons omkijken. Bedenk daarom iets, koning, zodat we niet ons hele leven hoeven te lijden, afhankelijk van anderen voor ons eten. Als u vroeger de heerschappij had gekregen, dan zouden wij haar hebben geërfd, hoe het volk ook over ons dacht.'
Dhritarashtra herinnerde zich alles wat Kanika hem gezegd had, en hij begon te weifelen. Duryodhana zat met Karna, Shakuni en Duhshasana bij elkaar, en daarna ging hij terug naar zijn vader. 'Vader,' zei hij, 'verzin een list om de Pandava's naar de stad Varanavata te sturen. Dan hoeven we niet meer bang voor hen te zijn.'
Dhritarashtra zweeg een ogenblik. 'Pandu hield zich altijd aan de dharma,' zei hij toen. 'Hij deed zijn plicht tegenover al zijn verwanten, maar vooral tegenover mij. Om de genoegens van de wereld gaf hij weinig; hij gaf mij alles, zelfs het koninkrijk. Zijn zoon is net zo toegewijd aan de dharma als hij, en hij heeft alle goede eigenschappen. Zijn naam is over de hele wereld bekend, en het volk houdt van hem. Hij heeft bondgenoten. Hoe kunnen we hem met geweld uit het rijk van zijn voorouders verdrijven? De raadslieden en de soldaten, hun zonen en hun kleinzonen, zijn allemaal door Pandu onderhouden en verzorgd. Mijn jongen, zullen de burgers, die zoveel goeds van Pandu hebben gekregen, ons dan niet met al onze vrienden en verwanten doden om Yudhishthira?'
'Wat u zegt, vader, is volkomen waar. Maar denk aan het onheil dat u in de toekomst bedreigt. Als we het volk voor ons winnen met rijkdom en eerbewijzen, dan kiest het onze kant, want dan ziet het onze macht. De schatkist en de ministers zijn op dit ogenblik in onze handen, koning. Daarom moet u de Pandava's nu met zachte middelen naar Varanavata verbannen. Als de heerschappij eenmaal bij mij ligt, mogen Kunti en haar kinderen daarvandaan terugkomen.'
'Dat is precies wat ik zelf al dacht, Duryodhana,' zei Dhritarashtra. 'Maar omdat het kwaad is, heb ik het nooit uitgesproken. Bhishma niet, Drona niet, Vidura niet en Kripa niet: geen van hen zal ooit goedvinden dat de Pandava's verbannen worden. In hun ogen zijn wij en de Pandava's onder de Kuru's gelijk, mijn zoon. Die wijze en rechtvaardige mannen zullen geen verschil tussen ons maken. Als we de Pandava's zo behandelen, verdienen we dan niet de dood, door de hand van de Kuru's, van die grote mannen en van de hele wereld?'
Duryodhana had zijn antwoord al klaar. 'Bhishma houdt van de ene kant niet meer dan van de andere, en als het tot een twist komt, kiest hij geen partij. Ashvatthama, de zoon van Drona, staat aan mijn kant, en waar de zoon is, daar zal ook de vader zijn. Kripa, de zoon van Sharadvat, moet wel aan de kant staan van Drona en Ashvatthama; hij laat Drona en de zoon van zijn zuster nooit in de steek. Vidura is voor zijn levensonderhoud van ons afhankelijk, al staat hij in het geheim aan de kant van de vijand. Als hij de Pandava's kiest, kan hij ons in zijn eentje niets doen. Verban de Pandava's zonder vrees naar Varanavata, en zorg dat ze er vandaag nog heen gaan. Doof daarmee het verdriet dat als een laaiend vuur in mijn hart brandt en me de slaap ontneemt.'
Duryodhana begon met zijn broers het volk langzaam voor zich te winnen met rijkdom en eerbewijzen. Intussen beschreven enkele sluwe raadslieden, die Dhritarashtra had ingelicht, aan het hof de stad Varanavata als een prachtige plek. 'In Varanavata is het feest van Pashupati begonnen,' zeiden ze: het feest van Shiva als Pashupati, de heer van de dieren. 'Er komen drommen mensen op af, en de processie is de mooiste die ooit op aarde te zien is geweest. Alles is prachtig versierd, en iedereen die de stoet ziet, is er vol van.' De raadslieden praatten erover zoals Dhritarashtra het hun had opgedragen, en gaandeweg kregen de Pandava's zin om naar die stad te gaan.
De koning merkte dat hun nieuwsgierigheid gewekt was. 'Mijn mannen hier vertellen vaak dat Varanavata de heerlijkste stad van de wereld is,' zei hij tegen hen. 'Als jullie dat feest willen zien, kinderen, ga dan met jullie gevolg en jullie vrienden naar Varanavata en vermaak je daar als de goden. Geef parels en edelstenen aan de brahmanen en de muzikanten die daar bijeen zijn. Blijf er een tijd, en geniet zoveel jullie willen, en kom daarna terug naar Hastinapura.'
Yudhishthira begreep wat Dhritarashtra wilde, en hij bedacht dat hij zelf zwak was en zonder vrienden. 'Zoals u wilt,' zei hij tegen de koning. Toen richtte hij zich tot Bhishma, de zoon van Shantanu, tot Vidura, tot Drona, tot Bahlika, de oude broer van Shantanu, tot Somadatta en diens zoon Bhurishravas, tot Kripa en Ashvatthama, en tot de andere raadslieden, tot de brahmanen en de asceten, de priesters en de burgers, en tot Gandhari, en langzaam en bescheiden zei hij: 'Met onze vrienden en ons gevolg gaan we op bevel van Dhritarashtra naar Varanavata, die mooie, drukke stad. Geef ons van harte uw heilwensen mee, zodat het ons daar goed gaat en er geen kwaad aan ons kleeft.'
De ouderen van de Kuru's gaven hun heilwensen mee. 'Zonen van Pandu, we wensen dat alle elementen jullie onderweg goedgezind zijn,' zeiden ze, 'en dat jullie niet het minste kwaad overkomt.' De Pandava's voerden de riten uit voor hun welzijn en voor het verkrijgen van hun deel van het rijk, en maakten zich klaar voor hun vertrek naar Varanavata.
Nu de koning de Pandava's had weggestuurd, liet Duryodhana in het geheim zijn raadsman Purochana bij zich komen, de laagste van de mleccha's, de volken buiten de orde van de Veda. Hij pakte hem bij zijn rechterhand en zei: 'Purochana, deze wereld, zo vol rijkdom, is van mij. Maar ze is net zo goed van jou als van mij, en daarom moet jij haar beschermen. Ik heb geen raadsman die ik meer vertrouw dan jou. Houd mijn plan geheim, en ruim mijn vijanden met een slimme list uit de weg. Doe wat ik je zeg. Dhritarashtra heeft de Pandava's naar Varanavata gestuurd, waar ze op zijn bevel van het feest zullen genieten. Zorg dat je nog vandaag in Varanavata bent, met een wagen die door snelle muilezels wordt getrokken. Laat daar, vlak bij het wapenhuis, een groot vierkant huis bouwen, royaal gebouwd en rijk ingericht, en bewaak het goed. Gebruik hennep, hars en alles wat maar brandbaar is. Meng een beetje aarde met geklaarde boter, olie, vet en een grote hoeveelheid lak, en bestrijk daarmee de muren. Leg overal in dat huis hennep, olie, geklaarde boter, lak en hout, maar zo dat de Pandava's en ook ieder ander, hoe goed ze ook kijken, het niet zien en niet denken dat het huis brandbaar is. Als het huis klaar is, ontvang de Pandava's dan met grote eerbied, en laat ze er met Kunti en al hun vrienden wonen. Zet er zetels, wagens en bedden neer van het beste vakmanschap, zodat Dhritarashtra niets te klagen heeft. En regel alles zo dat niemand in Varanavata er iets van weet voordat we ons doel bereikt hebben. Als je zeker weet dat de Pandava's binnen vol vertrouwen en zonder angst liggen te slapen, steek dan het huis in brand, te beginnen bij de buitendeur. Dan verbranden de Pandava's, en de mensen zullen zeggen dat hun huis bij toeval in brand is gevlogen.'
Purochana beloofde het de prins van de Kuru's, en met een wagen die door snelle muilezels werd getrokken, reisde hij naar Varanavata. Daar ging hij direct aan het werk en deed alles wat Duryodhana hem had opgedragen.
Voordat de Pandava's in hun wagens stapten, achter hun snelle paarden, raakten ze vol verdriet de voeten aan van Bhishma, van koning Dhritarashtra, van Drona, van Kripa, van Vidura en van de andere ouderen van de Kuru's. Ze groetten alle ouderen, omhelsden wie van hun leeftijd was, namen afscheid van de kinderen en van de oudere vrouwen van het huis, liepen met eerbied om hen heen, zeiden alle burgers vaarwel en vertrokken naar Varanavata. Vidura, de andere Kuru's en de burgers liepen nog een eind met hen mee. Sommige burgers en mensen van het platteland in die stoet zagen de zonen van Pandu in zo'n nood dat ze zich niet konden inhouden en hardop begonnen te praten.
'Koning Dhritarashtra heeft een slecht hart, hij kijkt niet met hetzelfde oog naar allen,' zeiden ze. 'De koning van de Kuru's heeft geen oog voor de dharma. Yudhishthira, aan wie geen smet kleeft, zal nooit tegen hem in opstand komen, en Bhima niet, hoe sterk hij ook is, en Arjuna niet, de jongste zoon van Kunti. En als die rustig blijven, wat zouden de zonen van Madri dan doen? De Pandava's hebben het koninkrijk van hun vader geërfd, en Dhritarashtra kan dat niet verdragen. Hoe kan Bhishma goedvinden dat ze naar die ellendige plek verbannen worden? Wat een onrecht! Vichitravirya, de zoon van Shantanu, en de koninklijke wijze Pandu uit het geslacht van Kuru hebben ons vroeger als een vader verzorgd. Maar nu Pandu naar de hemel van de goden is gegaan, kan Dhritarashtra deze prinsen, die zijn kinderen zijn, niet verdragen. Wij vinden deze verbanning niet goed. We verlaten allemaal deze mooie stad en onze eigen huizen, en we gaan waar Yudhishthira gaat.'
Yudhishthira dacht even na; hij was zelf niet minder bedroefd dan zij. 'De koning is onze vader,' zei hij tegen de burgers. 'Hij verdient eerbied, hij is onze guru en hij staat boven ons. Het is onze plicht om zonder argwaan te doen wat hij ons opdraagt. Jullie zijn onze vrienden. Loop ten afscheid om ons heen, geef ons jullie goede wensen mee, en ga terug naar jullie huizen. Als de tijd komt dat jullie iets voor ons moeten doen, doe dan wat goed voor ons is.'
De burgers liepen om de Pandava's heen, gaven hun goede wensen mee en keerden naar hun huizen terug. Nu ze niet langer meeliepen, wilde Vidura de oudste van de Pandava's wakker schudden voor het gevaar. Vidura was thuis in de raadseltaal, en Yudhishthira verstond die ook. Hij zei het in raadsels, zodat niemand behalve Yudhishthira hem kon begrijpen.
'Wie weet welke plannen zijn vijanden volgens de regels van de staatskunst smeden,' zei Vidura, 'moet met die kennis zo handelen dat hij elk gevaar ontloopt. Wie weet dat er scherpe wapens zijn die het lichaam snijden en toch niet van ijzer gemaakt zijn, en wie weet hoe hij ze moet afweren, die kan door geen vijand gedeerd worden. Wie zich beschermt met de wetenschap dat wat stro en hout verteert, en wat de dauw opdroogt, de bewoners van een hol diep in het woud niet verbrandt, die blijft in leven. De blinde ziet zijn weg niet; de blinde weet de richting niet. Wie niet standvastig is, komt nooit tot welvaart. Onthoud dat, en wees op je hoede. Wie van zijn vijanden een wapen aanneemt dat niet van ijzer is, ontkomt aan het vuur zoals het stekelvarken dat in zijn hol kruipt. Wie rondzwerft, leert de wegen kennen; aan de sterren ziet hij de richting; en wie zijn vijf zinnen beheerst, wordt nooit door zijn vijanden onderdrukt.'
'Ik heb u begrepen,' zei Yudhishthira.
Vidura liep om de Pandava's heen, nam afscheid en ging terug naar zijn huis. Toen de burgers, Bhishma en Vidura niet meer meeliepen, kwam Kunti naast Yudhishthira lopen. 'Wat Vidura je daar midden tussen al die mensen zei, zo onduidelijk dat het leek of hij niets zei, en wat jij hem in dezelfde woorden en op dezelfde toon antwoordde, hebben wij niet begrepen,' zei ze. 'Als het niet verkeerd is dat wij het weten, wil ik graag alles horen wat er tussen jullie gezegd is.'
'Vidura waarschuwde me dat het huis dat ons in Varanavata wacht, van brandbare stoffen is gebouwd,' antwoordde Yudhishthira. 'Hij zei: "De weg om te ontsnappen zal je niet onbekend blijven." En verder: "Wie zijn zinnen beheerst, kan heerser worden over de hele wereld." En ik antwoordde Vidura: "Ik heb u begrepen."'
De Pandava's waren op de achtste dag van de maand Phalguna vertrokken, toen de maan in het maanhuis Rohini stond. Ze kwamen in Varanavata aan, en ze zagen de stad voor zich liggen, en de mensen die er woonden.
Het huis van lak
Toen de burgers van Varanavata hoorden dat de zonen van Pandu er waren, stroomden ze met duizenden de stad uit, in allerlei wagens, en ze namen alles mee wat volgens de leerboeken heil brengt, om de prinsen te ontvangen. Ze gingen om de zonen van Kunti heen staan en riepen: 'Overwinning!' De Pandava's groetten de burgers terug en trokken de drukke, feestelijk versierde stad binnen. Eerst gingen ze naar de huizen van de brahmanen die hun plichten nakwamen, toen naar de huizen van de ambtenaren van de stad, daarna naar die van de suta's en de vaishya's, en zelfs naar die van de shudra's. Ten slotte gingen ze, met Purochana voorop, naar het paleis waar ze voorlopig onderdak kregen. Purochana gaf hun eten en drinken, bedden en tapijten, alles van het beste soort, en de Pandava's woonden er, droegen kostbare kleren en werden geëerd door Purochana en door de mensen van Varanavata.
Na tien nachten begon Purochana hun te vertellen over het huis dat hij had gebouwd. Het Huis van Heil noemde hij het; een huis van onheil was het. Op zijn aandringen trokken de Pandava's erin. Yudhishthira liep door het huis en rook vet, vermengd met geklaarde boter en lak. Hij nam Bhima apart.
'Dit huis is van brandbaar materiaal gebouwd,' zei hij. 'Je ruikt het. De vijand heeft het vakkundig laten maken door vertrouwde bouwlieden. Purochana blijft hier op bevel van Duryodhana, om me te verbranden zodra hij ziet dat ik hem vertrouw. Maar Vidura heeft me vooraf gewaarschuwd. Onze jongste oom wil ons altijd het goede, omdat hij van ons houdt, en hij wist dat Duryodhana's mensen dit huis in het geheim hebben gebouwd.'
'Als je weet dat dit huis zo brandbaar is,' zei Bhima, 'laten we dan teruggaan naar de plek waar we eerst onderdak kregen.'
Yudhishthira schudde zijn hoofd. 'Ik denk dat we hier juist moeten blijven wonen, alsof we niets vermoeden, maar al die tijd op onze hoede en klaarwakker, op zoek naar een veilige manier om te ontsnappen. Als Purochana aan onze gezichten ziet dat we zijn plannen doorzien, handelt hij overhaast en verbrandt hij ons plotseling. Purochana geeft weinig om schande of om kwaad; hij doet wat Duryodhana hem beveelt. Als wij verbrand worden, zal onze grootvader Bhishma dan boos worden? Waarom zou hij zijn woede laten zien en daarmee de Kaurava's tegen zich in het harnas jagen? Of misschien vinden Bhishma en de andere Kuru's het wel hun plicht om woedend te worden over zo'n slechte daad. Maar als we hier uit angst voor het vuur vandaan vluchten, zal Duryodhana, die de heerschappij begeert, ons met zijn spionnen laten doden. Wij hebben geen rang en geen macht, en hij heeft ze allebei. Wij hebben geen vrienden en geen bondgenoten, en hij heeft ze allebei. Wij hebben geen rijkdom, en hij beschikt over een volle schatkist. Zal hij dan niet de middelen vinden om ons te vernietigen? Laten we daarom Purochana misleiden, en Duryodhana ook, en onze dagen hier doorbrengen, af en toe vermomd. Laten we als jagers leven en over de aarde zwerven. Dan kennen we alle paden, als we voor onze vijanden moeten vluchten. En laten we nog vandaag in het grootste geheim in onze kamer een gang onder de grond laten graven. Als we zo handelen en voor iedereen verbergen wat we doen, zal het vuur ons nooit kunnen verteren. We blijven hier wonen en doen alles wat nodig is voor onze veiligheid, maar zo in het geheim dat Purochana en de burgers van Varanavata niet weten wat we van plan zijn.'
Er kwam een vriend van Vidura naar de Pandava's toe, een man die alles wist van het graven van mijnen. 'Vidura heeft me gestuurd,' zei hij, toen niemand meeluisterde. 'Ik ben een bekwaam mijnwerker, en ik ben hier om de Pandava's te dienen. Vidura vertrouwt me, en hij heeft tegen me gezegd: "Ga naar de Pandava's en zorg voor hun welzijn." Wat kan ik voor u doen? Purochana zal in de veertiende nacht van deze afnemende maan de deur van uw huis in brand steken. De slechte zoon van Dhritarashtra is van plan de Pandava's met hun moeder te verbranden. Zoon van Pandu, Vidura heeft ook iets tegen u gezegd in de taal van de mleccha's, en u hebt hem geantwoord dat u het begreep. Dat vertel ik u als bewijs dat ik te vertrouwen ben.'
'Beste man, nu weet ik dat je een dierbare en vertrouwde vriend van Vidura bent,' zei Yudhishthira, 'oprecht en hem altijd toegewijd. Er is niets wat Vidura niet weet. Zoals je van hem bent, zo ben je ook van ons. Maak geen verschil tussen hem en ons. Wij zijn net zo goed de jouwe als de zijne. Bescherm ons, zoals Vidura ons altijd beschermt. Ik weet dat dit huis, dat zo brandbaar is, op bevel van de zoon van Dhritarashtra door Purochana voor mij is bedacht. Duryodhana beschikt over rijkdom en bondgenoten, en hij vervolgt ons zonder ophouden. Doe een kleine moeite en red ons uit de brand die ons bedreigt. Als we hier verbranden, is zijn liefste wens vervuld. Hier staat zijn goed voorziene wapenhuis, en dit grote huis is tegen de hoge muren van het wapenhuis aan gebouwd, zonder enige uitgang. Vidura wist van het begin af van deze list, en het gevaar dat hij voorzag, staat nu voor onze deur. Red ons eruit zonder dat Purochana het weet.'
De mijnwerker ging voorzichtig aan het werk en groef een grote gang onder de grond. De ingang lag in het midden van het huis, gelijk met de vloer, en was met planken afgedekt. Hij lag zo zorgvuldig verborgen omdat Purochana de deur van het huis voortdurend bewaakte. 's Nachts sliepen de Pandava's in hun kamers met hun wapens binnen handbereik, en overdag jaagden ze van het ene woud naar het andere. Ze leefden behoedzaam en misleidden Purochana door te doen alsof ze vol vertrouwen en tevreden waren, terwijl ze in werkelijkheid niemand vertrouwden en allesbehalve tevreden waren. Ook de burgers van Varanavata wisten niets van hun plannen. Niemand wist ervan, behalve de vriend van Vidura, die goede mijnwerker.
Een vol jaar zag Purochana de Pandava's daar opgewekt en zonder argwaan wonen, en zijn tevredenheid ontging Yudhishthira niet. 'Die wrede ellendeling is goed misleid,' zei hij tegen Bhima, Arjuna en de tweeling, Nakula en Sahadeva. 'Ik denk dat de tijd gekomen is om te ontsnappen. Laten we het wapenhuis in brand steken, Purochana verbranden, zes levende wezens hier achterlaten en ongezien vluchten.'
Op een avond hield Kunti een maaltijd, onder het voorwendsel dat ze giften uitdeelde, en ze gaf een groot aantal brahmanen te eten. Er kwamen ook vrouwen, die aten en dronken en zich vermaakten zoveel ze wilden, en die met Kunti's toestemming weer naar huis gingen. Ook kwam er een nishada-vrouw op het maal af, uit het volk dat in de wouden leeft. De Tijd, die alles vernietigt, dreef haar erheen; ze zwierf rond op zoek naar eten. Ze had vijf zonen, en die waren allemaal bij haar. Zij en haar kinderen dronken wijn tot ze niet meer op hun benen konden staan. Buiten bewustzijn, meer dood dan levend, ging ze met al haar zonen in dat huis liggen slapen.
Die nacht, toen iedereen in het huis sliep, kwam er een hevige wind op. Bhima stak het huis in brand op de plek waar Purochana sliep, toen de deur van het huis van lak, en ten slotte het huis op verschillende plaatsen rondom. Pas toen ze zeker wisten dat het vuur het huis overal had gegrepen, gingen de Pandava's met hun moeder de gang onder de grond in.
De hitte en het geraas van het vuur werden zo hevig dat de stad wakker werd. De burgers zagen het huis in lichterlaaie staan, en met bedroefde gezichten zeiden ze: 'Die ellendeling, Purochana, heeft met zijn slechte hart dit huis op bevel van Duryodhana gebouwd, om de verwanten van zijn meester te vernietigen, en hij heeft het in brand gestoken. Schande over het hart van Dhritarashtra, dat zo partijdig is! Hij heeft de onschuldige erfgenamen van Pandu verbrand, alsof ze zijn vijanden waren. En hij die de nietsvermoedende prinsen heeft verbrand, is zelf verbrand, zoals het lot het wilde.'
De hele nacht bleven de burgers klagend om het huis heen staan. Maar de Pandava's kwamen met hun moeder uit de gang onder de grond, en ze vluchtten haastig weg zonder dat iemand het zag. Van slaap en angst kwamen ze maar langzaam vooruit. Bhima nam zijn broers en zijn moeder op zijn lichaam en baande zich een weg door het donker. Zijn moeder zette hij op zijn schouders, de tweeling op zijn heupen, en Yudhishthira en Arjuna nam hij in zijn armen. Met zijn borst brak hij de bomen, en onder zijn voeten gaf de aarde mee.
Rond die tijd had Vidura een verstandige man naar die wouden gestuurd, een man met een zuiver karakter die hij volkomen vertrouwde, want hij had via zijn spionnen gehoord wat Duryodhana van plan was. De man ging naar de plek die hem gewezen was, en hij vond de Pandava's met hun moeder in het woud, waar ze de diepte van een rivier peilden. Op de heilige oever van de Ganga wees hij hun een boot die door vertrouwde vaklieden was gebouwd, met werktuigen en vlaggen, tegen wind en golven bestand. Hij zei tegen hen: 'Yudhishthira, dit zijn de woorden die Vidura tegen u zei, als bewijs dat ik van hem kom: "Wat stro en hout verteert, en wat de dauw opdroogt, verbrandt nooit de bewoners van een hol in het woud. Wie zich met die wetenschap beschermt, ontkomt aan de dood." Aan die woorden kunt u zien dat ik Vidura's vertrouwensman ben. Vidura, die alles weet, heeft nog gezegd: "Zoon van Kunti, jij zult Karna in de strijd verslaan, en Duryodhana met zijn broers, en Shakuni." Deze boot ligt klaar op het water, hij zal licht over de golven glijden en u allemaal uit deze streken wegbrengen.'
De Pandava's en hun moeder stonden er somber bij. De man liet hen in de boot stappen die op de Ganga lag, en ging zelf met hen mee. 'Vidura ruikt aan uw kruin en omhelst u in gedachten,' zei hij nog, 'en hij laat zeggen: nu u alleen verder moet, op een tocht die heil moet brengen, mag u nooit onoplettend zijn.'
Met de kracht van de roeiers, de snelle stroom en een gunstige wind bracht de man van Vidura de Pandava's in zijn boot over de Ganga. Toen hij hen allemaal veilig aan de overkant had gezet, riep hij hun 'Overwinning!' toe, liet hen achter en ging terug. De Pandava's hadden hem een boodschap voor Vidura meegegeven, en ze trokken haastig en in het grootste geheim verder.
Toen de nacht voorbij was, kwamen de mensen van Varanavata in groten getale naar het huis om de zonen van Pandu te zien. Ze blusten het vuur en zagen dat het afgebrande huis van lak was gebouwd, en dat Purochana, de raadsman van Duryodhana, erin was omgekomen. Ze begonnen luid te klagen. 'Dit heeft Duryodhana bedacht om de Pandava's te vernietigen,' zeiden ze. 'Hij heeft de erfgenamen van Pandu met medeweten van Dhritarashtra verbrand, anders had zijn vader de prins wel tegengehouden. En Bhishma, de zoon van Shantanu, en Drona en Vidura en Kripa en de andere Kaurava's hebben geen van allen hun plicht gedaan. Laten we Dhritarashtra laten weten: "Uw grote wens is vervuld! U hebt de Pandava's verbrand!"'
Ze doorzochten de smeulende resten om een spoor van de Pandava's te vinden, en ze vonden de onschuldige nishada-vrouw met haar vijf zonen, verbrand. De mijnwerker die Vidura had gestuurd, ruimde intussen de as weg en bedekte er het gat mee dat hij gegraven had, zo dat niemand van al die mensen het zag.
De burgers stuurden boden naar Dhritarashtra om hem te laten weten dat de Pandava's samen met Purochana verbrand waren. Dhritarashtra huilde. 'Vandaag is mijn broer, koning Pandu, pas echt gestorven,' zei hij, 'nu zijn heldhaftige zonen met hun moeder verbrand zijn. Ga snel naar Varanavata, mannen, en laat de dodenriten verrichten voor die helden en voor de dochter van Kuntibhoja. Laat ook de beenderen van de doden bijeenbrengen met de riten die daarbij horen, en laat alles doen wat bij zo'n gelegenheid past, met alle luister. Laat de vrienden en de verwanten van de doden erheen gaan. En spaar geen kosten voor alles wat wij in deze omstandigheden voor de Pandava's en voor Kunti moeten doen.'
Dhritarashtra bracht met zijn verwanten plengoffers van water voor de zonen van Pandu. Ze klaagden luid: 'Yudhishthira! Prins van het geslacht van Kuru!' Anderen riepen: 'Bhima! Arjuna!', en weer anderen: 'De tweeling! Kunti!' Ook de burgers huilden om de Pandava's. Maar Vidura huilde niet veel, want hij kende de waarheid.
De Pandava's trokken intussen met hun zessen naar het zuiden en vonden hun weg in het donker bij het licht van de sterren. Na veel moeite kwamen ze in een dicht woud. Ze waren moe en hadden dorst, en telkens vielen hun de ogen dicht van de slaap.
'Wat kan er pijnlijker zijn dan dit?' zei Yudhishthira tegen Bhima. 'We zitten diep in het woud. We weten niet welke kant welke is, en we kunnen niet veel verder. We weten niet of Purochana verbrand is of niet. Hoe ontkomen we ongezien aan deze gevaren? Neem ons weer op je, en ga verder zoals eerst. Jij bent de enige van ons die sterk genoeg is.'
Bhima nam Kunti en zijn broers weer op zijn lichaam en ging haastig verder. Het hele woud leek te beven, met al zijn bomen en takken, waar zijn borst tegenaan sloeg, en zijn dijen joegen een wind op. Hij baande zich een pad door alles wat voor hem stond, bomen en klimplanten trapte hij plat, grote bomen en struiken met hun bloemen en vruchten brak hij af, zoals de leider van een olifantenkudde, een zestigjarige stier in de bronst, woedend en boordevol kracht, dwars door het woud breekt en de machtigste bomen omverloopt. Zo snel ging Bhima dat de Pandava's bijna flauwvielen. Vaak zwommen ze over rivieren die moeilijk over te steken waren, en onderweg vermomden ze zich uit angst voor de zonen van Dhritarashtra. Bhima droeg zijn moeder, die niet gewend was aan ontberingen, op zijn schouders langs de ongelijke oevers van de rivieren.
Tegen de avond kwam hij in een onheilspellend woud, waar weinig vruchten, wortels en water waren, en waar de akelige kreten van vogels en dieren klonken. De schemering werd dieper, de vogels en dieren schreeuwden woester, het donker onttrok alles aan het zicht, en er stak een wind op die niet bij het seizoen hoorde en die grote en kleine bomen brak en neerlegde, en klimplanten met droge bladeren en vruchten. Moe, dorstig en zwaar van de slaap konden de prinsen niet verder. Ze gingen in dat woud zitten, zonder eten en zonder drinken.
Kunti kon haar dorst niet langer verdragen. 'Ik ben de moeder van de vijf Pandava's, en ik zit hier midden tussen hen in,' zei ze tegen haar zonen, 'en toch brand ik van dorst!' Ze zei het keer op keer. Bhima nam hen weer op en ging verder. Door dat eindeloze woud, waar geen levende ziel was, liep hij voort, tot hij een mooie banyan zag met wijd uitwaaierende takken.
Daar zette hij zijn broers en zijn moeder neer. 'Rust hier,' zei hij, 'dan ga ik water zoeken. Ik hoor watervogels roepen. Er moet hier een grote vijver zijn.'
'Ga,' zei zijn oudste broer, en Bhima ging in de richting van de kreten van de watervogels. Al gauw kwam hij bij een meer. Hij baadde en leste zijn dorst, en voor zijn broers, van wie hij zoveel hield, drenkte hij zijn bovenkleed in het water. Haastig liep hij de hele weg terug. Zijn moeder en zijn broers lagen op de kale grond te slapen, en Bhima begon te huilen.
'Dat ik dit moet zien: mijn broers, slapend op de kale grond! Wat kan me pijnlijker overkomen dan dit? Zij die in Varanavata niet konden slapen op de zachtste en duurste bedden, slapen nu op de kale grond! Wat zal ik ooit pijnlijkers zien dan Kunti, de zuster van Vasudeva, de vader van Krishna, de dochter van Kuntibhoja, met alle tekenen die heil brengen, de schoondochter van Vichitravirya, de vrouw van de grote Pandu, de moeder van ons vijven, zo teer als de draden van een lotus en gemaakt om op het kostbaarste bed te slapen, die nu zo slaapt, zoals ze nooit had mogen slapen, op de kale grond! Zij die deze zonen gebaard heeft van Dharma, van Indra en van Vayu, zij die altijd in paleizen heeft geslapen, slaapt nu uitgeput op de kale grond! Wat zal ik ooit pijnlijkers zien dan mijn broers, die helden, slapend op de grond! De rechtvaardige Yudhishthira, die heerser over de drie werelden verdient, slaapt uitgeput op de kale grond, als een gewoon mens! Arjuna, donker als een blauwe wolk en zonder gelijke onder de mensen, slaapt op de grond als een gewoon mens! Wat kan er pijnlijker zijn dan dit? De tweeling, zo mooi als de Ashvins onder de goden, slaapt als gewone stervelingen op de kale grond!
Wie geen jaloerse, kwaadwillige verwanten heeft, leeft gelukkig in deze wereld, als een eenzame boom in een dorp. Een boom die alleen in een dorp staat, met zijn bladeren en vruchten, wordt heilig, omdat er geen andere boom van zijn soort is, en iedereen vereert hem. En ook wie veel verwanten heeft die allemaal heldhaftig en rechtvaardig zijn, leeft gelukkig in de wereld, zonder enig verdriet. Ze zijn zelf machtig en worden welvarend, ze maken hun vrienden en verwanten altijd blij, en ze leven, op elkaar steunend, als hoge bomen die in hetzelfde woud groeien. Maar wij zijn door de slechte Dhritarashtra en zijn zonen verbannen, en met moeite, door puur geluk, zijn we aan een dood in het vuur ontsnapt. Nu rusten we in de schaduw van deze boom. Na alles wat we al geleden hebben: waar moeten we nu heen?
Zonen van Dhritarashtra, kortzichtige, slechte kerels, geniet maar van jullie succes zolang het duurt. De goden zijn jullie goedgezind. Maar jullie leven nog, ellendelingen, alleen omdat Yudhishthira me niet beveelt jullie het leven te nemen. Anders zou ik vandaag nog in mijn woede jou, Duryodhana, naar Yama sturen, de god van de dood, met je kinderen en je vrienden en je broers, en Karna, en Shakuni, de zoon van Subala! Maar wat kan ik doen, zolang Yudhishthira, die rechtvaardige, nog niet boos op jullie is?'
Bhima wreef in zijn woede zijn handpalmen tegen elkaar en zuchtte diep. Opnieuw keek hij naar zijn broers, die als gewone mensen vol vertrouwen op de grond lagen te slapen. 'Ik denk dat er niet ver van dit woud een stad moet zijn,' zei hij bij zichzelf. 'Ze slapen allemaal; ik blijf wakker. Als ze uitgerust opstaan, lest het water hun dorst.' Hij ging zitten en hield de wacht over zijn slapende moeder en zijn broers.